De nieuwe regeling
De nieuwe regeling heeft niet voor alle werknemers dezelfde gevolgen. Werknemers die op 31 december 2005 deelnemers waren, worden in twee categorieën ingedeeld:
Groep I: Deelnemers geboren voor 1 januari 1950 en onafgebroken deelnemer vanaf ten minste 31 december 2000.
Groep II: Overige deelnemers.
Werknemers geboren voor 1 januari 1950 die nu onder de overgangregeling vallen, kunnen gebruik blijven maken van de VUT-regeling. De werknemers die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 januari 1951 die tot 1 januari 2006 onder de overgangsregeling vielen, kunnen niet langer gebruik maken van de VUT-regeling. Voor deze groep werknemers worden extra pensioenrechten ingekocht door deze groep dezelfde rechten toe te kennen als die aan de werknemers die onder de flexpensioenregeling vielen zijn toegekend.
De pensioenopbouw voor alle deelnemers uit groep II is 1,87% van de pensioengrondslag vanaf 1 januari 2006. Voor het partner- en wezenpensioen vindt een opbouw plaats van 1,31% van de grondslag. Met ingang van 1 januari 2006 is een franchise ingevoerd. Over dat deel van het loon wordt geen premie betaald en vindt geen opbouw plaats.
De pensioengrondslag wordt berekend door het pensioengevend salaris te verminderen met de franchise. De franchise is in 2010 € 10.974,- per jaar en wordt pro rata toegepast:
- € 914,50 per maand bij fulltime dienstverband
- € 211,04 per week bij fulltime dienstverband
- € 5,41 per uur bij een 39-urige werkweek
- € 5,27 per uur bij een 40-urige werkweek
Het maximum pensioengevend salaris bedraagt € 119.323,- per jaar voor 2010. De maximale pensioengrondslag is dus € 108.349,-.
Groep I:
Voor deelnemers geboren voor 1 januari 1950 en die onafgebroken hebben deelgenomen in de pensioenregeling vanaf ten minste 31 december 2000 blijft de VUT-regeling van kracht. Deze deelnemers kunnen (afhankelijk van hun leeftijd) in aanmerking komen voor een VUT-uitkering indien zij langer dan 10 jaar in het film- of bioscoopbedrijf werkzaam zijn op de dag dat ze gebruik maken van de regeling. In onderstaand schema is dit uitgewerkt.
| Geboren in | Leeftijd waarop kan worden uitgetreden |
|---|---|
| 1945 | 61 jaar |
| 1946 | 61,5 jaar |
| 1947 | 62 jaar |
| 1948 | 62,5 jaar |
| 1949 | 63 jaar |
Zij blijven tot hun 65e deelnemen aan de nieuwe pensioenregeling. Omdat voor deze groep de pensioenopbouw doorloopt tot aan hun 65e is het opbouwpercentage verlaagd naar 1,5% van de pensioengrondslag.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid om op een later tijdstip uit te treden. De uitkering wordt nooit hoger dan 100% van de voor de werknemer geldende uitkeringsgrondslag. Deze grondslag wordt vastgesteld op het moment dat de werknemer voor het eerst gebruik kan maken van de regeling (vroegst mogelijke uittredingsleeftijd). Bovendien moet de uitkering in ieder geval ingaan als de werknemer 64 jaar en 9 maanden oud is. Omdat de uitkering bij uitstel boven 100% van de uitkeringsgrondslag uitkomt, wordt het meerdere gereserveerd om te worden overgedragen naar de voor de werknemer geldende pensioenregeling.
De overdracht vindt plaats als de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Daarbij gelden de regels voor waardeoverdracht zoals de van toepassing zijnde pensioenregeling hanteert.

